9.2     Netwerken en modellen

9.2.3       Modellen voor dataoverdracht

Bij concreet gebruik van digitale communicatie, bijvoorbeeld het aansturen van een gebouwsysteem, komt er achter de schermen heel wat kijken. Bovenop het fysiek versturen van bits en bytes tussen de toestellen, zijn er tal van mechanismen nodig o.a. om ervoor te zorgen dat de toestellen de data correct kunnen interpreteren, dat eventuele foute data kan gedetecteerd en/of gecorrigeerd worden, dat meerdere toestellen kunnen deelnemen aan de communicatie, dat de verbinding beveiligd is, dat er geen al te grote vertragingen ontstaan, etc… Om dit complexe proces wat vatbaarder te maken, worden modellen gebruikt die de verschillende functies van een digitaal communicatieproces opdelen in zogenaamde lagen (‘layers’).

De twee meest gebruikte modellen zijn het OSI model en het TCP/IP model.

De functies van elke laag worden geïmplementeerd via standaarden of protocollen. Een aantal voorbeelden van veel voorkomende standaarden en protocollen zijn weergegeven in onderstaande overzichtstabel. Gezien het model vaak voorgesteld wordt als een stapel van lagen, wordt ook soms gesproken over een ‘protocol stack’.

Merk op dat binnen elke laag de digitale data op een andere manier opgesplitst wordt in bruikbare stukjes, deze stukjes worden de ‘protocol data units’ genoemd. Een zender (A) die data wil doorsturen naar een ontvanger (B), vertrekt vanop een bepaalde laag, bv. de applicatielaag indien de zender een softwareprogramma is. Op elke laag wordt de data geïnterpreteerd, aangevuld met protocolinformatie en doorgespeeld naar de onderliggende laag De protocolinformatie wordt meestal toegevoegd aan het begin van het stukje data dat van de bovenliggende laag komt. Men spreekt dan van een ‘header’. Wanneer informatie achteraan toegevoegd wordt, spreekt men van een ‘trailer’. Binnen de zender (A) doorloopt de data dus het lagenmodel van boven naar onder en hierbij wordt er in elke laag protocolinformatie toegevoegd. Je zou het kunnen zien als een trein waaraan wagonnetjes voorgekoppeld (of aangehangen) worden. In de ontvanger (B), wordt het lagenmodel in de omgekeerde richting doorlopen. De lange trein komt toe op de fysieke laag en vervolgens wordt laag per laag per de laag de protocolinformatie (de wagonnetjes) verwijderd en geïnterpreteerd om uiteindelijk de data verstuurd door de zender (A) over te houden.

Bron: https://techgimmick.files.wordpress.com/2015/07/osi_header_trailer.jpg

Ga naar volgende artikel: Ethernet
Keer terug naar de inhoudsopgave