2.5.1       IoT – Internet of Things

Internet of Things veronderstelt dat ’things’ (‘dingen’) verbonden zijn met een digitaal communicatienetwerk zoals het internet. De ‘dingen’ kunnen volgende functies hebben:

  • omgevingsinformatie opnemen en digitaal doorsturen: sensoren (bv. temperatuursensor)
  • digitale informatie ontvangen en actie ondernemen: actoren (bv. LED lamp)
  • een combinatie van bovenstaande: toestellen (bv. een verwarmingstoestel)

Daarnaast moeten de verzamelde gegevens opgeslagen en verwerkt kunnen worden en is er interactie met de gebruikers mogelijk. Indien een IoT oplossing vergeleken wordt met het menselijke lichaam, kan de dataopslag en -verwerking kan gezien worden als het brein, het digitale communicatienetwerk als de zenuwbanen en de ‘dingen’ als de zintuigen, organen, spieren, …

Typische IoT toepassingen maken gebruik van een groot aantal ‘dingen’ die vaak draadloos verbinden met een online platform voor dataopslag en -verwerking (in ‘de cloud’, zie 2.5.2) en bieden een gebruikersinterface (bv. website of smartphone app) die toegankelijk is via het internet. IoT toepassingen zijn er binnen allerhande sectoren en domeinen: mobiliteit (bv. deelvoertuigen, slimme laadinfrastructuur, …), logistiek (bv. asset tracking), industrie (Industrial IOT, Smart Factory, Industry 4.0, …), landbouw, gezondheidszorg, …  Ook in de bouwsector zijn er tal van IoT toepassingen. Zo zijn er IoT toepassingen mogelijk tijdens de werffase (bv. monitoring, asset tracking, …). Slimme gebouwen kunnen op zich ook als een IoT toepassing gezien worden.

In een Smart Building zijn immers ‘dingen’ aanwezig die met elkaar verbonden zijn via digitale communicatienetwerken. Op veldniveau (bv. voor het connecteren van een bewegingssensor) wordt vaak voor connectiviteit via bussystemen gekozen, terwijl dit op hoger niveau meer en meer via IP netwerken gebeurt (zie hoofdstuk 9.6 voor meer informatie over protocollen voor gebouwsystemen). Daarnaast wordt de verzamelde data ook opgeslagen en verwerkt (bv. lokale opslag in het gebouw) en er worden mogelijkheden voor interactie met de gebruiker voorzien (bv. bedieningspanelen in de verschillende ruimtes, dashboards via webpagina’s of smartphone apps). Dit hoeft niet te betekenen dat alle in het gebouw aanwezige systemen directe toegang tot het internet hebben of dat er enkel met draadloze ‘dingen’ gewerkt kan worden. Wel belangrijk is dat alle ‘dingen’ centraal raadpleegbaar en/of aanstuurbaar zijn.

Ga naar volgende artikel: ‘De cloud’
Keer terug naar de inhoudsopgave