Smart Readiness Indicator
Wat is het?
De Smart Readiness Indicator of SRI is een indicator die weergeeft in welke mate een gebouw technologisch klaar is om te interageren met de gebruikers en de externe omgeving. In de context van SRI is het hoofddoel van deze interacties om het gebouw performanter te maken (bv. op vlak van energie, gebruiksgemak, …).
Het concept van SRI werd ontwikkeld op vraag van de Europese Commissie. Het heeft zijn basis in de EPBD (Energy Performance of Buildings Directive) waarbij onder andere in DIRECTIVE (EU) 2018/844 het belang van Smart Buildings voor het behalen van de klimaatdoelstellingen benadrukt wordt. De Europese Commissie heeft vervolgens een studie gefinancierd om het kader van het SRI-concept uit te werken en de rekenmethodologie te ontwikkelen. De studie werd afgerond in september 2020 en leidde uiteindelijk tot een algemene methodologie die werd vastgelegd in een gedelegeerde verordening van de Europese Commissie[1]. Deze verordening legt een algemeen kader vast dat de Europese lidstaten moeten hanteren als ze een SRI-berekening wensen in te voeren. De EU legt toepassing van de SRI bij publicatie van het rapport niet op aan de lidstaten. Lidstaten kunnen zelf kiezen of ze het al dan niet implementeren, en eventueel verplicht willen maken. Het kader laat bovendien nog heel wat vrijheden aan de lidstaten, zoals de gewichtsfactoren die aan de verschillende aspecten en functies worden toegekend alsook de samenstelling van de catalogus van functionaliteiten (‘smart ready services’) die daarbij wordt gehanteerd.
Er is in de gewesten[2] in België op het moment van publiceren nog niet beslist of men de SRI al dan niet wenst in te voeren en hoe de SRI-rekenmethode er exact zou uitzien. In afwachting kan men terugvallen op de aanpak die is voorgesteld in de SRI-studies, zonder echter de garantie dat het resultaat zal kunnen gevaloriseerd worden in België of zal overeenstemmen met de SRI-berekening zoals die in de toekomst mogelijks in België zou worden ingevoerd.
Hoe werkt het?
In de SRI-studie (Verbeke, Aerts, Reynders, Ma, & Waide, 2020) worden drie methodes voorgesteld voor het bepalen van een SRI-score:
- Methode A: Eenvoudige methode: online checklist, typisch voor gebouwen tot 500 m², duurt ongeveer een uur (‘quick check’) ;
- Methode B: Expert methode: analyse door expert, typisch voor niet-residentiële gebouwen, duurt een halve dag tot een dag (grondigere analyse t.o.v. methode A) ;
- Methode C: Berekening op basis van reële data uit de gebouwsystemen, voor gebouwen in gebruik. De methode vereist gebruiksdata over een langere periode (bv. een jaar). Deze methode is op het moment van publiceren nog niet verder uitgewerkt.
De SRI beoordeelt gebouwen op hun capaciteit om drie hoofdfunctionaliteiten te vervullen:
– The ability to maintain energy efficiency performance and operation of the building through the adaptation of energy consumption
– The ability to adapt its operation mode in response to the needs of the occupant
– The flexibility of a building’s overall electricity demand in relation to the grid
Zoals Figuur 1 toont, zijn de drie ‘smart-readiness’ hoofdfunctionaliteiten verder uit te diepen tot zeven impactcriteria:
[1] GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2020/2155 VAN DE COMMISSIE van 14 oktober 2020 tot aanvulling van Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad door de vaststelling van een facultatieve gemeenschappelijke Unieregeling voor de waardering van de mate waarin gebouwen gereed zijn voor slimme toepassingen
[2] De SRI valt onder de bevoegdheid van de gewesten en de aanpak zou dus in theorie kunnen verschillen van gewest tot gewest in België.

De SRI-methodologie is gebaseerd op toetsing van de ‘smart ready services’ die een gebouw heeft of zou kunnen gebruiken. Binnen het SRI-kader worden deze services gegroepeerd in negen domeinen:
- Verwarming
- Koeling
- Sanitair warm water
- Gecontroleerde ventilatie
- Verlichting
- Dynamische gebouwschil
- Elektriciteit
- Laadinfrastructuur elektrische voertuigen
- Monitoren en controle
Alle services samen vormen de zogenaamde ‘service catalogue’. Elke individuele service kan geïntegreerd worden volgens verschillende graden van ‘slimheid’, in de SRI methodologie benoemd als zogenaamde ‘functionality levels’ of functionaliteitsniveaus[1]. De services en hun functionaliteitsniveau die bij de berekening van de SRI-score beschouwd worden, zijn gebaseerd op de die zijn gedefinieerd in de Europese norm EN 15232-1:2017 (“Energy performance of buildings – Part 1: Impact of Building Automation, Controls and Building Management – Modules M10-4,5,6,7,8,9,10”).
De SRI-methodiek laat toe een gedetailleerde score te berekenen per domein en impactcriterium. Door samenvoeging van scores, kan er een globale score per domein alsook een globale score per impactcriterium bekomen worden. De scores van de zeven impactcriteria kunnen verder samengevat worden in een score voor de drie hoofdfunctionaliteiten. Deze kunnen nogmaals verder samengevat worden, zodat een totale SRI score bekomen wordt (zie Figuur 2).
[1] De SRI-methodologie specifieert niet hoe deze functionaliteitsniveaus te bereiken en is dus technologie-neutraal.

De finale versie van het rapport van de studie die gefinancierd werd door de Europese Commissie, waarin de technische voorstellen voor de berekening van een Smart Readiness Indicator besproken worden, is online beschikbaar (volledig rapport, samenvatting).
Zoals eerder vermeld, hebben de gewesten in België op het moment van publiceren nog niet beslist of men de SRI al dan niet wenst in te voeren en hoe de SRI-rekenmethode er exact zou uitzien. Als er beslist zou worden om de SRI-berekening in te voeren, is het waarschijnlijk dat de uiteindelijke ‘service catalogue’ behoorlijk wat parallellen zal vertonen met de catalogus uit de reeds uitgevoerde studie.
Ga naar ‘Welke rol kan het spelen in het realiseren van Smart Buildings’
Ga terug naar overzicht

