Voorzitter Jan Buelens maakt een eerste balans op

Gebouwen moeten vandaag maximaal comfort én functionaliteit bieden. De technologische (r)evolutie maakt het mogelijk om deze verwachtingen in te lossen. Keerzijde van de medaille is dat het beheer en het onderhoud heel wat complexer worden. Een uitdaging die kan worden opgevangen met … technologie. De bouwsector heeft dus enkel maar te winnen bij technologische vooruitgang. Waar de voordelen precies liggen, probeert de WTCB-cluster ‘Smart Buildings in Use’ te achterhalen.

Hoe is het idee van deze cluster ontstaan?

Jan Buelens: “De laatste jaren manifesteert zich een nieuwe trend in de bouw die de actoren noodzaakt om projecten op een totaal andere manier te benaderen: DBFM of Design, Build, Finance en Maintenance. Het komt erop neer dat architect, bouwheer en (hoofd)aannemer(s) van meet af aan samen rond de tafel zitten om het beste concept binnen een vastgelegd budget uit te werken. Bovendien blijft de (hoofd)aannemer(s) gedurende een lange periode verantwoordelijk voor het volledige of gedeeltelijke onderhoud van het gebouw.

Om bedrijven bij hun digitaliseringsproces te ondersteunen, wil de cluster samenwerking en kennisuitwisseling stimuleren

Deze trend moeten we situeren in een tijdsgeest waar de verwachtingen van een gebouw op het vlak van comfort, functionaliteit en afwerking alleen maar toenemen. Met DBFM eindigt een bouwproject dus niet meer bij de oplevering. En dat is een grote oogopener. Meer dan vroeger moet vanuit een langetermijnvisie worden gebouwd, met kwaliteitsvolle materialen, systemen en afwerkingen. Om aan de verwachtingen van de gebruikers te voldoen, dienen bovendien heel wat technologische snufjes te worden geïntegreerd. Daarnaast moet vanaf het begin worden nagedacht over manieren om het onderhoud op termijn efficiënt te organiseren.”

En hiermee komen we opnieuw bij technologie uit?

Jan Buelens: “Inderdaad, de bouwsector kan vandaag putten uit een quasi eindeloos aanbod van technologische oplossingen. Vooral de combinatie van sensoren en Internet of Things opent een waaier aan opportuniteiten, en dit zowel op het vlak van onderhoud als comfort. VLISOG (het Vlaams Initiatief Systematisch Onderhoud Gebouwen) legde enkele jaren geleden op kleine schaal de mogelijkheden van deze tandem bloot. De resultaten leken dermate veelbelovend dat de participanten van deze minicluster gemotiveerd waren om het thema verder uit te diepen. Ze kregen de steun van de Confederatie Bouw en het Centrum Duurzaam Bouwen die actief op zoek waren naar oplossingen voor de nieuwe uitdagingen die met DBFM samenhangen.

Vooral de combinatie van sensoren en Internet of Things opent een waaier aan opportuniteiten, en dit zowel op het vlak van onderhoud als comfort.

Met het WTCB als touwtrekker en de financiële steun van VLAIO vielen de puzzelstukjes in elkaar. Eind 2018 werd de cluster ‘Smart Buildings in Use’ boven de doopvont gehouden. Bedoeling is dat partijen van uiteenlopende sectoren samen het potentieel van technologie doorheen de levensduur van een gebouw onderzoeken.”

Over welke bedrijven of organisaties spreken we dan?

Jan Buelens: “Gezien de DBFM-uitdagingen is het logisch dat de grotere aannemersbedrijven zich als eerste aanmeldden om te participeren. De drijfveer van de cluster was ‘out of the box’ denken, liefst vanuit meerdere disciplines en sectoren. Gelukkig konden we vrij snel de interesse van heel wat andere partijen wekken. Vandaag zijn er al 35 actieve leden, waaronder eigenaars en gebouwenbeheerders, fabrikanten van bouwmaterialen en technieken, producenten van sensoren, ontwikkelaars van internetplatformen, …”

Hoewel er alsmaar meer technologische hoogstandjes in gebouwen worden geïntegreerd, staan we nog ver van echte ‘smart buildings’.

“Doorheen de loopduur van de cluster hopen we het aantal deelnemers tot vijftig uit te breiden. Om zo een mooie kruisbestuiving te bekomen. En natuurlijk ook heel wat projecten te initiëren die zelfs lang na de cluster nog resultaten opleveren. De participanten beseffen immers dat ze aan de vooravond van een nieuw tijdperk staan. Er moet met technologie worden geëxperimenteerd. Enkel op die manier kunnen we de mogelijkheden en voordelen voor de bouwsector ontdekken. Het is een proces dat tijd en inspanning zal vergen. Niettemin is het een stap die alle actoren in de bouwsector moeten zetten, daar zijn we van overtuigd.”

De insteek is intussen dus breder dan het M-luik van de DBFM-formule?

Jan Buelens: “Inderdaad, de diversiteit van de participanten laat toe om het onderzoeksthema uit te breiden naar ‘de levensduur van een gebouw’. Dat is geen overbodige luxe, want de meeste lastenboeken omvatten een eerder vage technologische omschrijving van de verwachtingen over de functionaliteit van het te bouwen pand. Over het algemeen wordt daar pas na de oplevering over nagedacht, wat natuurlijk veel te laat is. Vanuit het standpunt van DBFM moet hierover al in de beginfase een consensus worden bereikt. Zo kan een gebouw worden neergepoot dat beter aan de wensen van de gebruikers voldoet. Tegelijkertijd zal de aannemer zich een realistischer beeld van de onderhoudswerkzaamheden kunnen vormen.”

Hebben jullie intussen al de grootste uitdagingen geïdentificeerd?

Jan Buelens: “Hoewel er alsmaar meer technologische hoogstandjes in gebouwen worden geïntegreerd, staan we nog ver van echte ‘smart buildings’. We beschikken vandaag inderdaad over talrijke slimme systemen. Helaas is het moeilijk om de huidige technologische oplossingen te integreren, zeker als er verschillende fabrikanten of protocollen in het spel zijn. Resultaat? Meerdere sensoren meten hetzelfde en binnen één gebouw zijn er diverse systemen operationeel, telkens met hun eigen software en werkingskost. Bovendien zijn aanpassingen naderhand vaak erg duur.”

We moeten evolueren naar gebouwsystemen die vlotter met elkaar kunnen ‘communiceren’ en waarover de eindklant meer controle heeft.

“We moeten evolueren naar gebouwsystemen die vlotter met elkaar kunnen ‘communiceren’ en waarover de eindklant meer controle heeft. Helaas bestaat er geen pasklaar antwoord. En daar moeten we naar zoeken, want de gebruikers en aannemers/onderhoudsbedrijven zouden er heel wat baat bij hebben. Minder componenten betekent immers een aanzienlijke reductie van de kostprijs, minder maintenance én meer gebruiksgemak. Bovendien lijkt het ons logisch dat de oplossingen aan intelligentie zouden winnen. Gebundelde kennis levert over het algemeen immers nieuwe perspectieven op. Ik denk bijvoorbeeld aan een ‘smart’ systeem dat door middel van aanwezigheidssensoren kan beslissen om de zonwering uit te schakelen indien een lokaal leeg is. Zo kunnen de zonnestralen in de winter als extra verwarming worden aangewend. Dit is maar een van de vele mogelijkheden van een echt ‘smart building in use’.”

Welke acties hebben jullie al ondernomen?

Jan Buelens: “Het is uitermate belangrijk dat de bouwheer op voorhand zijn technologische verwachtingen definieert. Dit is een cruciale factor om een DBFM-project te doen slagen. Vandaar dat de cluster een handleiding aan het uitwerken is die de bouwheer kan gidsen bij het formuleren van zijn doelstellingen inzake technologie. Hierbij hanteren we vijf niveaus. Niveau 00 staat voor de totale afwezigheid van smart technologie, wat trouwens perfect kan en mag. De essentie is dat de bouwpartners dit weten vooraleer ze met de constructie starten. Niveau 4 is een echte ‘smart building’ met geïntegreerde systemen die gebruikmaken van voorspellingen, artificiële intelligentie en IoT en waarop bijkomende diensten ‒ zoals geavanceerde energieoptimalisatie, voorspellend onderhoud, … ‒ kunnen worden geïmplementeerd. De praktische gids bevat tevens een stappenplan dat de verschillende partijen moet helpen om de ambities met betrekking tot ‘smart buildings’ in een project duidelijker te formuleren.”

Wat staat er verder op het programma?

Jan Buelens: “Om bedrijven bij hun digitaliseringsproces te ondersteunen, wil de cluster samenwerking en kennisuitwisseling stimuleren. Hiertoe organiseren we erg diverse studiedagen en workshops over thema’s waarover de clusterleden meer informatie wensen. Verder is open innovatie een belangrijke pijler van dit initiatief. Het is wel degelijk de bedoeling dat er nieuwe oplossingen worden gecreëerd. De cluster begeleidt de bedrijven bij het vormen van partnerships, met de hoop dat we tegen 2021 verschillende demo- en innovatieprojecten aan de markt zullen kunnen voorstellen.”

Wat is het uiteindelijke doel van deze cluster?

Jan Buelens: “Enerzijds willen we de eindklant zodanig sensibiliseren dat de vraag naar een meer geïntegreerde aanpak van het onderhoud en het beheer van gebouwen in de komende jaren sterk toeneemt. Anderzijds willen de clusterleden helpen om een beter inzicht in de mogelijkheden van hun digitaliseringsproces te verwerven, en ze ook assisteren bij het vinden van innovatieve oplossingen om de marktvraag efficiënt en adequaat te beantwoorden.”